Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

Jan Nassy’s Ex Libris: Torrenpikkers

18 juni 2019, door Jan Nassy
1
/
1

De Nederlandse poëzie bevat maar weinig medische geschiedenis en je gaat het pas zien als je dubbel besmet bent.

Sinds 1979 heb ik twee verzamelbundels van C. Buddingh’ in mijn poëziekast staan[1], behoorlijk stukgelezen inmiddels.
Waarom hij mij zo aanspreekt doet er nu even niet toe. U kent hem misschien alleen maar van zijn gedicht De blauwbilgorgel.

 

Kort geleden bladerde ik die tweede bundel weer eens door en toen pas bleef ik steken bij drie gedichten onder de titel Dokter Pauw en nog wat.

Leest u even mee:
 

Dokter Pauw en nog wat 1
 

C. van Proosdij, longarts, stuurt mij een boek,[2]
door hem geschreven, over Zonnestraal,
waar ze al een halve eeuw van torrenpikkers
proberen weer ‘werkende mensen’ te maken.
 
Ik sla het open – en wie kijkt mij aan?
Dr. F. Pauw, die dertig jaar geleden,
toen men nog twee cent voor mijn leven gaf,
uit zeven van mijn ribben stukken knipte.
 
Het moet een zwaar karwei geweest zijn: ribben
zijn, schijnt het, donders taai, maar toen ‘k weer plat
kon liggen was ik wel mooi van plus vijf
 
naar negatief gesprongen. Dat ik hier zit,
sigaar in ’t hoofd, fles binnen handbereik,
heb ik voor een groot deel aan hem te danken.
 
Het boek over Zonnestraal (eind r. 1) staat op het Trefpunt Medische Geschiedenis op het Foksdiep 8 in de ziekenhuisgedenkboekenkast, zodat ik het meteen kon inzien, dankzij collega Harmjo Blom, internist-endocrinoloog en de vrijwilliger die alle gedenkboeken keurig op plaats geordend heeft. Ha, een dichterlijke vrijheid! Van Proosdij was internist-geriater, geen longarts.[3] Maar in een versregel loopt longarts een stuk lekkerder en Buddingh’ onderging in de veertiger jaren twee langdurige opnames wegens tuberculose. Maakte hij daarom ook de kortsluiting “dokter + sanatorium = longarts” ?

 

En dan die torrenpikkers. Als je dat woord intikt op je zoekmasjien beland je bij Google meteen in de wereld van de hengelsport.
Torrenpikkers zijn daar sportvissers; met torren vang je voorn en bliek. 

Dan liever de Grote van Dale:  

 

Tor

1: schildvleugelig insect; 2: (Barg., scheldw.) slet, hoer; 3: (onder t.b.c.-patiënten en hun omgeving) tuberkelbacterie: hij heeft nog torren in z’n sputum.
 
Kees Buddingh’ belandde in 1942 (en opnieuw, in 1947) in Zonnegloren (Soestduinen). Pauw’s ingreep (thoracoplastiek) vond tijdens die tweede opname plaats, nadat eerdere behandelingen (pneumothorax, phrenicus-exaerese en goudinjectie) geen verbetering hadden gebracht.[4]
 
Dokter Pauw en nog wat 2
 
En ’t gekke is, dat ik hem nooit heb gezien:
je lag te wachten in ’t gipskamertje,
daar kreeg je narcose en vandaar
rolden ze je naar de operatietafel.
 
Er waren er, die door twee, drie verpleegsters
in toom gehouden moesten worden, zo
gingen ze te keer, maar ik was de rust zelve:
‘k werd toch geopereerd door dokter Pauw?
 
Zijn naam was in die tijd al een legende:
als hij je onder ’t mes had zat je safe.
En bovendien: ‘k ging toch met Stientje trouwen?
 
Doodgaan was er niet bij. Ik mocht dan niet
in God geloven, maar in de wetenschap
had ik, ook destijds al, het volst vertrouwen.
  
Dokter Pauw en nog wat 3
 
En nog. Bij mij moeten ze niet aankomen
met Ufo’s aardstralen, astrologie,
de vlucht van raven of kippe-ingewanden.
Ik ben zo vrij gespeend te zijn van mystiek.
 
Natuurlijk: ’t leven is één groot mysterie,
de mens maar een ijl stofje in ruimte of tijd,
misschien een kiem, misschien een etterbuiltje.
‘k Zou het ook graag weten. Maar ik weet het niet.
 
Ik weet alleen: als het ooit wordt ontdekt
horen we ’t niet van Boeddha of de paus,
maar van zo’n slungel in een witte jas,
 
die op een nacht over de campus loopt
om toch nog even naar een kweek te kijken
en ’t raadsel opgelost vindt in zijn lab.
 
De Dokter Pauw gedichten werden gepubliceerd in 1979 en zo werd beeldend verwoord hoe retrospectief een chirurg door toedoen van een internist een dichtader aansneed, waaruit een rotsvast geloof in onze wetenschap leek op te wellen.
Maar Buddingh’ wist donders goed dat het kantje boord was geweest. De reeks sonnetten eindigt met drie dode lotgenoten, waarvan ik u er, gezien de titel van dit stukje, één noem:
 
Jan Schaper
 
‘k Moet ook nog dikwijls denken aan Jan Schaper.
Hij had iets van een onderontwikkeld paard.
Maar o, mijn God, wat hield hij van zijn dochter!
Soms leek ’t haast alsof hij haar had gebaard.
 
’t Wilde niet met hem. Wat ze ook probeerden,
de torren graafden zich steeds dieper in.
Je zag hem, waar je bij lag, traag wegteren.
En dat was ’t allergruwelijkste: zo traag
 
dat je soms bijna zei: ’Kop op, Jan, over
twee jaar, wanneer je dochter trouwen gaat,
komen we allemaal naar de bruiloft toe.’
 
En dan, dan zag je plotseling aan zijn ogen
dat hij door niets meer te bedriegen was.
Hij was alleen nog moe. Eindeloos moe.
 
Zo boekstaafde Buddingh’ in versvorm aangrijpend de tijd van vóór de tuberculostatica. 

Zijn biograaf beschrijft[5] dat de ontvangst van het sanatoriumboek Buddingh’ behalve de gedichten ook een “sanatorium-syndroom” opleverde met onbeheersbare huilbuien en diepe neerslachtigheid.
Ruim een half jaar voor zijn overlijden in 1985 noteerde de dichter het aforisme ‘Alleen de dood vermag ons van de artsen te verlossen’.
 
 
  Jan Nassy, 16-5-2019

 

 

 

Noten

[1] Gedichten 1938 – 1970,  (Amsterdam 1979) 3; Gedichten 1974 – 1986, (Amsterdam 1986)
[2]  Van Proosdij, Dr. C., Een halve eeuw de sterken voor de zwakken, Zonnestraal 1928 – 1978. (Bussum 1978)
[3] Proosdij, Zonnestraal, 5.
[4] Huijser, W., Dichter bij Dordt, Biografie van C. Buddingh’,  (Amsterdam 2015) 60-83

Toediening van goudpreparaten (Na-Goud-thiosulfaat of Aurothioglucose) intraveneus zou een tuberculostatisch effect hebben. De geschiedenis van deze therapie is een hoofdstuk apart. (JN)
[5] Huijser, Biografie, 292 – 340

1
/
1
Dr. F. Pauw (C. van Proosdij, Een halve eeuw de sterken voor de zwakken, Zonnestraal 1928-1978. (Bussum 1978) 65