Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

Replieken op de lezing van Bert Keizer:De dwaalweg van een columnist: Bert Keizer en de medische geschiedenis

20 december 2018, door Mart van Lieburg, emeritus hoogleraar medische geschiedenis
1
/
2

Bert Keizer heeft in zijn column over medische geschiedenis (https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/geschiedenis-4.htm) gedaan wat een columnist, althans naar de mening van de literatuurhistoricus Jo Dautzenberg, behoort te doen: op een luchtige, minder serieuze, speelse en persoonlijke manier zijn lezers prikkelen. Met zijn pen- en taalvaardigheid en zijn op filosofische en medische scholing gefundeerde eruditie beweegt Bert (die van hier af maar persoonlijk zal toespreken) zich gewoonlijk in de hogere regionen van het columnistengilde, waarvan de onderkant door loze prietpraters in de twittercultuur wordt bepaald. De prikkeling van je columns raakt niet alleen ‘the aesthetic brain’ (Nature 2015), maar veelal ook het cognitieve brein. Maar bij de lectuur van de onderhavige medisch-historische column ontstond op de laatstgenoemde locatie kortsluiting.

                Bij lezing van de eerste alinea toont de oscilloscoop nog de sinusoïde van geëvoceerde instemming. Geweldig dat een groot man als jij toch herkent en erkent dat de medisch-historicus een vak mag vertegenwoordigen dat gemakkelijk over zes of meer leerstoelen valt te verkavelen. Dat hetzelfde kan worden vastgesteld voor een medisch filosoof, een medisch ethicus, een medisch jurist etc. ontneemt de medisch-historicus dadelijk alle grond voor hovaardigheid. De constatering van de omvang en reikwijdte van zijn vakgebied dwingt hem (ik kies gemakshalve maar voor de mannelijke variant) tot passende bescheidenheid en houdt hem in een toestand van permanente hunkering naar kennis over meer. Zo beschouwd zet die eerste alinea wel de toon van je column, maar levert zij geen inhoudelijk argument voor het downgraden van de betekenis van het onderhavige vak.

 

Bij de opening van de tweede alinea begint de grote verwarring, de kortsluiting dus, wanneer je Timo Bolt verwijt dat hij ‘verwart wat artsen zouden moeten weten met wat wel leuk zou zijn te weten over artsen’. Taal is een dwalende gids, zo heb ik geleerd uit het prachtige boek dat je ooit schreef over Ludwig Wittgenstein. Welnu, in de openingszin is de betekenisgeving van het woordje ‘weten’ cruciaal. Iets weten als opstap naar de genotsbeleving van het leuke is iets anders dan iets weten als onmisbare ingrediënt en steunpilaar van het professionele bestaan en acteren als medicus. Het wordt nog erger als je bij de bewijsvoering van je stelling je onder artsen begeeft van wie de geschiedbeleving bestaat uit ongeloof, verbazing en afgrijzen. Zo’n borrelend gezelschap vol snobistisch pseudo-erudiet geleuter had je beter kunnen vervangen door de schare leesgretigen die je bijna wekelijks in het Trefpunt Medische Geschiedenis op Urk kan ontmoeten. Aan het slot kom ik daar nog even op terug.

                Om het concreet te maken verwijs je naar de drie boeken die je introduceert als krabbels op het ‘vrijwel onbeschreven blad’ van je medisch-historische kennis. Met die kwalificatie doet je jezelf absoluut tekort, want ik weet uit onze lange vriendschap dat menige plank van de bibliotheek die zich in jouw hoofd bevindt vol staat met medische en wetenschapshistorische literatuur.

                De drie voorbeelden zijn overigens veelzeggend: Foucaults Geboorte van de kliniek heb je ‘met open mond’ gelezen en zelfs herlezen als filosoof, niet als medicus en ook niet als historicus. Als dokter heb je in dit boek inderdaad niet veel meer te zoeken van verbazing; als aspirant-historicus had je dadelijk moeten signaleren dat Foucaults kennis van de Franse kliniek gespeend is van de inzichten die Toby Gelfand (Professionalizing modern medicine) en Ann La Berge (French medical culture) hebben uitgewerkt. Le Fanu’s The rise and fall of modern medicine heb je gelezen als dokter die in dit historische vertoog steun zocht en vond voor je als altijd kritische benadering van de actuele geneeskunde. Een uitgetrokken filosofische en historische antenne had je dadelijk doen onderkennen dat Le Fanu zwaar gebrild in de medisch-historische literatuur heeft gewinkeld. Die Instagram-kennis staat veraf van een diepgaande synthese van lang vergaarde kennis. Inderdaad is zijn boek een aanrader voor studenten en coassistenten, maar ik zou ze dit boek alleen cadeau doen als ik de gelegenheid had erbij te vertellen dat Le Fanu een journalist is, een columnist zelfs, die zich dieper in zijn wetenschappelijke hart laat kijken in zijn tientallen andere boeken, zoals Eat your heart out, The fallacy of the healthy diet en Preventionitis. The exaggerated claims of health promotion. Na die bronkritische benadering durf ik ze Le Fanu niet aan te bevelen als medisch-historisch leerboek. En wat het derde voorbeeld betreft – met dank voor de vriendelijke woorden over ‘een eindeloos verrassende reis in de tijd’ – bleef het ondanks de ‘nieuwsgierigheid en verwondering’ toch bij bladeren. Gelukkig maar, want dit boek was niet bedoeld om te lezen met de plezier- en genotsintentie die je als columnist hier en in de alinea over het nut van de lectuur van de biografie van Harvey Cushing op de voorgrond zet.

Het ingeslagen denkspoor moet wel leiden tot je slotconclusie dat je overdag niks hebt aan de medische geschiedenis, maar dat het voor ’s avonds een (bijna!) even genoeglijk tijdverdrijf biedt als de filosofie. Ik zou er uren met je willen discussiëren – wat op voorhand een geweldig genoegen zou zijn – over de aard en betekenis van mijn vak, de medische geschiedenis. Maar nu ik je denkspoor met die onzalige eindconclusie annoterend heb weergegeven, volstaat het op deze plek om terug te gaan naar het begin, naar de vraag wat en vooral ook waartoe een dokter moet ‘weten’. Daar, aan het begin, zou ik je allereerst verbaasd vragend aankijken of ook jij, met zoveel intellectuele bagage, je hebt bekeerd tot die rampzalige meute die ‘Dummheit’ propageert omdat kennis zo rijkelijk voor handen (lees: te grabbel) zou zijn, op het web of, van recentere datum, ‘in the cloud’. Ik gebruik de Duitse term, omdat die geestesrichting van het lege brein voortreffelijk beschreven is in het boek Dummhiet van Ernst Pöppel en Beatrice Wagner, al zal jijzelf je wellicht beter thuisvinden bij de analyse van de Frankfurter Schule (Zur Genese der Dummheit). Ik wil en kan het niet geloven: iemand die Le Fanu cadeau geeft volgt niet dit spoor van de ‘verdomming’.

                Mijn tweede inzet bij de discussie aan de start lijkt tegenstrijdig met al het voorafgaande, maar laat zich verklaren door de doelgroep van de docerende medisch-historicus. Dat zijn (aanstaande) dokters die niet door historische feitenkennis worden geholpen, maar wel door historisch besef. In mijn afscheidsrede hoop ik binnenkort te betogen dat dit besef om invulling vraagt zodra men zich als onderzoeker begeeft op het pad van de wetenschap, simpel omdat die kennis ergens vandaan komt en mede door die afkomst wordt bepaald! Bovendien moet dat besef worden geoperationaliseerd zodra een arts zich begeeft in de relatie met een patiënt, wat niet alleen een fysiek object is dat ter reparatie wordt aangeboden, maar ook een historisch subject met een levensgeschiedenis die bepalend is voor de betekenisgeving en conceptualisering van ziekte en ziek-zijn. Die ‘awareness’ van de historische dimensie van ons bestaan kan ook worden bereikt zonder feitjes: ik heb veertig jaar lang betoogd dat medische geschiedenis geen examenvak in de gangbare vorm hoeft zijn. Het voldoen aan de verplichting om naar een voorbeeldige i.c. professionele omgang met het verleden te luisteren en te kijken zou al een geweldige verrijking zijn van het artsenopleiding. Maar helaas, zolang de medische faculteiten zich profileren als instellingen voor uitgebreid middelbaar onderwijs of – naar het voorbeeld van de vroegere MULO – voor MOMO, valt er voor die benadering weinig steun te verwachten.

                Ten slotte, als derde, een kritische noot die je aan het begin wellicht voor het dwaalspoor had kunnen behoeden. Dat is het onderscheid tussen leesboeken, leerboeken, handboeken. Geheel in lijn met de ‘verdomming’ en de zucht naar de ‘verleuking’ doen leesboeken het goed. Hier moet ik op mijn woorden passen. Er zijn medisch-historische boeken die uitblinken door leesbaarheid en ultiem leesgenot kunnen verschaffen, en die tegelijk buitengewoon leerzaam zijn, gebaseerd op diepgaand historisch onderzoek en gelardeerd met historische inzichten. De keizer aller ziektes en Het gen van Siddhartha Mukherjee zijn er prachtige voorbeelden, gezwegen nog van het oeuvre van Roy Porter. Hadden studenten maar tijd om zulke boeken te lezen. Het spijtige is dat deze categorie leesboeken wordt vergald door de medisch-historische pulptekstjes waarin dokters een oorlam medisch-historische kennis aanlengen met literaire oubolligheid om zo in de feuilletonrubriek van een (medisch) tijdschrift te kunnen belanden. Je zou er zo maar een nieuwe column aan kunnen wijden. Geheel anders is het met de leer- of studieboeken en de handboeken. Dat ik afzie van een toelichting op dit onderdeel wordt louter ingegeven door de aard van deze reactie op je column. Het punt lijkt me met de vermelding van de driedeling voldoende gemaakt.

                Inmiddels heb je in een vervolgcolumn geprobeerd het ongenoegen van de medisch-historici dat je ter ore kwam, te temperen: https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/geschiedenis-2-1.htm.

Die poging was dapper, maar je hebt opnieuw je rol als column voortreffelijk gespeeld door vooral te prikkelen. Je constatering dat het eerder genoemde Trefpunt gevuld wordt met ‘vele duizenden medische boeken die overtollig zijn geworden door de tijd en door de digitalisatie’. Het term ‘overtollig door de tijd’ past niet bij de typering van een collectie die dient om juist terug te gaan in die tijd. Weer die blikrichting als dokter die het zijn praktijkvoering obsolete kennis moet mijden. En wat het veel gehoorde misverstand betreft dat alles gedigitaliseerd beschikbaar is en (minstens zo belangrijk) toegankelijk is: neem eens de zeven dikke medische delen van Jeremias Reuss’ Repertorium ter hand, of De Medicis scriptis libri duo van Joannes Antonides van der Linden, of Hallers bibliografieën en check eens wat daarvan digitaal beschikbaar is. Heb je een dorstige kameel wel eens naar een vingerhoed water zien kijken? Ons Trefpunt brengt historisch geïnteresseerden en professionele historici bijeen om over de volle breedte van het vak medische geschiedenis te spreken en onderzoek te doen, en illustreert op bescheiden wijze dat ook in de gedigitaliseerde en verder digitaliserende wereld het gedrukte medische boek zijn betekenis heeft. Verba volant, scripta manent. Dat moet een ervaren boekenschrijver als jij bent aanspreken.

 

 

1
/
2