Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

Replieken op de lezing van Bert Keizer: Tijd voor een nieuwe column!

21 december 2018, door Noortje Jacobs, onderzoeker en universitair docent Erasmus MC Rotterdam
1
/
1

 

In zijn column van 7 juli in Medisch Contact stelt Bert Keizer dat nadenken over de geneeskunde alleen is weggelegd voor artsen in de avonduren, die van de dag, maar vooral die van het leven. Het is prachtig om mooie, dikke geschiedenisboeken te lezen—Keizer is de laatste om dat te ontkennen. Maar artsen hebben er niets aan op de ok, tijdens het spreekuur, in de ziekenzaal.

Bert Keizer heeft natuurlijk gelijk. Althans, mocht ik ooit in de situatie komen dat ik nog enigszins bij zinnen de OK opgerold word om te zien dat mijn chirurg druk met Foucault’s Geboorte van de Kliniek in de weer is, dan zou ik ook om een andere arts vragen. Maar dat betekent niet dat reflectie op de geneeskunde alleen is weggelegd voor artsen nadat ze hun actieve loopbaan beëindigd hebben.Juist niet.

Keizer reageert in zijn artikel op Timo Bolt, die in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 7 mei een pleidooi hield voor het belang van historische reflectie op de geneeskunde, in medische tijdschriften en in medisch onderwijs. Zelf geef ik onderwijs over de geschiedenis van de wetenschappen (zoals die van de geneeskunde) aan studenten die cultuurwetenschappen studeren, maar ook aan biologie- en geneeskundestudenten.

Ik merk vaak dat juist bij die tweede groep, de bèta’s, meer belangstelling bestaat voor de geschiedenis van hun vak dan bij de eerste groep, de alfa’s. Studenten vinden het simpelweg leuk om verhalen te horen over de traditie waarvan zij inmiddels onderdeel van uitmaken, maar kunnen vaak ook goed uit de voeten met de historische voorbeelden die tijdens een college de revue passeren. Beruchte casus uit het verleden, waarover de meningen inmiddels wel zijn uitgekristalliseerd, stellen hen in staat na te denken over hun toekomstige identiteit als arts, de invloed van biomedische technologieën, of juist de manier waarop we het Nederlandse zorgstelsel georganiseerd hebben.

Kennis van de geschiedenis, zeg ik altijd tegen studenten, vervult drie belangrijke functies. Ten eerste helpt het ons te herinneren. Zoals we elk jaar op 4 mei de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdenken, valt er ook in de geneeskunde wel wat te herdenken opdat de geschiedenis zich niet herhaalt. Studenten krijgen daarom vaak onderwijs over een aantal beruchte experimenten dat in het verleden door artsen op mensen gedaan is. Denk bijvoorbeeld aan de concentratiekampexperimenten, de beruchte Tuskegee syfilis-studie, of aan experimenten die artsen deden op wezen, gevangenen, slaven, en andere kwetsbare groepen in de samenleving, omdat dit soort “patiënt-materiaal” makkelijk voorhanden was en bovenal weinig weerstand kon bieden.

Daarnaast biedt geschiedenis een belangrijk kader om het heden beter te kunnen begrijpen. Als we bijvoorbeeld hedendaagse discussies over het Nederlandse zorgstelsel willen begrijpen, of willen weten waarom ineens het mantra Evidence-Based Medicine al is wat de klok slaat in beleidskringen, dan heeft historische reflectie belangrijke inzichten te bieden. Zo leren studenten bijvoorbeeld dat EBM geen neutrale term is om de geneeskunde ‘wetenschappelijker’ te maken, maar opkwam begin jaren negentig van de twintigste eeuw als gevolg van een intellectuele strijd over wat goede wetenschap eigenlijk was, en bovendien nauw samenhing met politiek verlangens om bezuinigingen in de zorg door te voeren. Maar ook kun je denken aan de professionele geschiedenis van de medische beroepsgroep zelf: de groeiende macht van artsen in de negentiende eeuw, en daarmee samenhangende marginalisering van ‘kwakzalvers’ en ‘alternatieve genezers’ in deze periode.

Tot slot functioneert geschiedenis als een belangrijke spiegel voor het heden. Wanneer studenten bijvoorbeeld leren over de geschiedenis van ziektes, dan is het belangrijk dat ze begrijpen dat ons begrip van ziekten en genezing aan verandering onderhevig is. Zo werd homoseksualiteit nog niet zolang geleden officieel als ziekte gezien, bestond ADHD nog helemaal niet, en werd door psychiaters hysterie waargenomen bij seksueel onbevredigde vrouwen. Zo bleef het nu beruchte bloedlaten tot eind negentiende eeuw een veelvoorkomende therapie en kreeg de neuroloog António Egas Moniz in 1949 nog een Nobelprijs voor de het ontwikkelen van zijn lobotomie-methode. Punt is niet dat studenten huiverend of juist grinnikend luisteren naar dit soort verhalen, maar dat ze worden aangezet tot reflectie: hoe zeker zijn wij eigenlijk van de diagnoses die we stellen en therapieën die we voorschrijven? Welke relatie heb ik tot mijn patiënt en wat is de invloed van mijn handelen?

 

Deze vormen van de geschiedenisonderwijs hebben tot doel dat studenten zorgvuldiger gaan nadenken over dat beroep dat ze straks gaan uitvoeren (het zijn van arts) en dat systeem waarin ze straks gaan fungeren (de gezondheidszorg). Akkoord, ze zullen niet cognitief, met Foucault in de hand, op de snijzaal tot andere technische beslissingen komen. Maar hopelijk zullen ze door hun geschiedenisonderwijs wel een aantal inzichten over de geneeskunde internaliseren en intuïtief meer doordachte beslissingen nemen—of ze nu clinicus, wetenschapper, manager of adviseur worden.

Juist daarom is het belangrijk dat het lezen van mooie, dikke geschiedenisboeken niet bewaard blijft tot het pensioen. Je hebt iets aan kennis over geschiedenis van de geneeskunde in je vormende jaren, tijdens je opleiding. En dan mag Bert Keizer schertsend zeggen artsen dan ook verstand moeten hebben van filosofie…Dat is ook zo! En om precies dezelfde redenen (niet zo verwonderlijk dan ook dat geschiedenis, filosofie, en inderdaad ook de literatuur, vaak hand in hand gaan). Dus ook daar kunnen we nog wel wat leerstoelen van gebruiken, beste Bert. Tijd voor een nieuwe column!

1
/
1
Noortje Jacobs