Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

Misselijke zotten in een beroerde wereld: De betekenis van ziektes in de laatmiddeleeuwse toneelcultuur

5 februari 2019, door Katell Lavéant, Universiteit Utrecht
1
/
2

Op 5 februari 2019 kreeg Katell Lavéant, universitair hoofddocent Franse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht, de Descartes-Huygensprijs 2018 uitgereikt. In 2017 hield zij een lezing voor de leden van de NVMG.

 

(bijgaand de samenvatting van de voordracht tijdens de ledenvergadering van 18 november 2017)

 

Middeleeuwse toneelcultuur

In de late middeleeuwen bloeide de toneelcultuur in heel Europa volop. Er waren overal veel toneelgroepen actief (zowel professionele als amateurgroepen), waarvan veel literaire teksten, maar ook archiefstukken, bewaard zijn gebleven. Dit is het geval in landen zoals Engeland, Duitsland en de Lage Landen, maar de voorbeelden die hier worden gebruikt komen uit Franstalige bronnen en toneelteksten.

Destijds werd toneel vooral op straat gespeeld en soms ook in de huizen van rijke burgers of in herbergen. In ieder geval vonden toneelopvoeringen nog niet in echte theaters plaats, die pas in de Renaissance werden gebouwd. Toneelspelen in de publieke ruimte zorgde voor een vermenging van rijke en arme toeschouwers van verschillende leeftijden en van alle sociale groepen.

Er werden verschillende soorten toneelstukken gespeeld: religieuze en morele spelen (zoals Passiespelen en stukken over het leven van heiligen), maar ook vrolijke, korte stukken (zoals kluchten en zotte spelen). De aanwezigheid van een gemengd publiek zorgde ervoor dat thema’s en vragen die voor velen belangrijk waren, op toneel werden behandeld. Toneel was in zekere zin dus een commentaar op wat belangrijk voor de toeschouwer kon zijn, bijvoorbeeld het spanningsveld tussen rijkdom en armoede, maar ook de sociale en politieke spanningen van de tijd.

 

Zieken, ziektes en medische figuren

Ziektes, en manieren waarop die te genezen, waren zo’n belangrijk thema. Verschillende medische figuren staan dan ook centraal in het laatmiddeleeuwse toneel: de ‘echte’ arts en de apotheker spelen een belangrijke rol, maar ook de kwakzalver komt regelmatig voorbij. Zieke personages komen het toneel op om genezen te worden, of proberen in ieder geval verlichting voor hun kwalen te vinden. Ze worden vaak grappig verbeeld, maar achter de grap schuilt vrijwel altijd ook een serieuze boodschap voor de toeschouwers: deze patiënten, hun ziektes en hun genezers dragen niet zelden ook een allegorische boodschap uit.

 

Reformatie: De ziekte van het Christendom en De zieke paus

Dit is bijvoorbeeld mooi te zien in zestiende-eeuwse toneelstukken die duidelijk de traditie van het middeleeuwse toneel voortzetten en deze traditie gebruiken om een nieuw thema in kaart te brengen: de komst van Reformatie en de betekenis van deze nieuwe godsdienst als oplossing voor de kwalen van de wereld.

Een aantal Franstalige toneelstukken laten dit goed zien. Zij zijn door protestantse auteurs geschreven en in Zwitserland gedrukt. Zo laat De ziekte van Christendom (La maladie de Chrétienté) van Mathieu Malingre (Neuchâtel, 1533) zien hoe het allegorische personage Zonde gif aan het andere allegorische personage Christendom geeft. Als tegengif beveelt Zonde aan om op bedevaart te gaan: op deze manier wordt het middeleeuwse geloof dat heiligen genezingskracht hadden, bespot. Vervolgens verschijnt de Hemelse Arts (Christus) op het toneel om de urine van Christendom te lezen, zoals het inderdaad in die tijd gebruikelijk was om een diagnose te stellen. Hij ziet in de urine alles wat er in de wereld verkeerd gaat. De scene is lang en uitgebreid en heeft als doel om specifieke aanvallen tegen katholieke geestelijken te uiten.

Dertig jaar later gebruikt Theodorus Beza hetzelfde motief om de Paus te bespotten, in De zieke Paus (Comédie du Pape Malade, Geneve, 1561). De fysieke symptomen zijn sprekend: de Paus heeft zó veel pijn in zijn lichaam en voelt zich zó misselijk, dat hij ervan overtuigd is dat hij zal sterven. De kleuren van zijn gezicht laten echter zien wat het echte probleem is: de paus ziet rood, geel en groen uit, de kleuren van dwaasheid, zoals ze destijds ook op de kleren van zotten te zien waren.

Voor de paus is er geen genezing, maar voor Christendom heeft de Hemelse Arts wel een recept: er moet een drankje worden gemaakt op basis van de tongen van een mens, een leeuw, een stier en een arend, die door een zeef moeten worden geperst. De betekenis van dit recept is voor de toeschouwer overduidelijk: de woorden van de vier evangelisten, gerepresenteerd door de vier tongen, en vertaald in de volkstaal (de zeef), zullen Christendom helpen om weer gezond en verstandig te worden.

 

 

Humor en moraal

Dit zijn slechts twee voorbeelden uit veel toneelstukken die zieke personages en echte, of schijnartsen op het toneel zetten. Ze zijn bedoeld om de toeschouwers een grappige, doch wijze les over de staat van de wereld en over henzelf te leren. Verrassend waren de verbeelde situaties niet: een scène met een arts die een zieke patiënt bezoekt, was zeker herkenbaar voor de middeleeuwse toeschouwers. Deze scènes riepen herinneringen op aan enge en ernstige ziektes, zoals aan de grote pestepidemieën van de vorige eeuwen, die toen nog vers in het geheugen lagen.

Vanuit een toneelperspectief zijn ziektes ook een dankbaar onderwerp: de symptomen van de zieke mens zijn erg beeldend en kunnen makkelijk bespot worden, net zoals het handelen van de arts. De pols nemen, in de mond en ogen van de patiënt kijken, de urine lezen, een recept aan de apotheker schrijven: dit zijn allemaal handelingen die, als ze op een overdreven manier worden uitgebeeld, erg komisch kunnen worden. Of die, met de juiste woorden, een extra betekenis kunnen krijgen, zoals in De ziekte van Christendom.

De vele technische termen die in deze toneelstukken worden gebruikt, laten zien dat de auteurs van de stukken goed bekend waren met de geneeskunde. Zij waren vaak clerici die op de universiteit hadden gestudeerd en die goed uit de voeten konden met medische literatuur in het Latijn. Vaak gebruikten zij deze kennis om met deze termen te spelen, bijvoorbeeld door komische namen van denkbeeldige ziektes op basis van Latijnse of Griekse woorden te bedenken.

Deze situaties op toneel waren dus grappig, maar bevatten daarnaast ook een serieuze boodschap. Uiteindelijk ging het er om om de toeschouwers een ontspannen moment te verzorgen, maar het publiek tevens te laten nadenken over morele of religieuze problemen. Dat deze formule goed werkte, is te zien aan het aantal toneelstukken die in die tijd op deze manier zijn geschreven, opgevoerd en gedrukt: de zieke wereld en haar artsen waren in de zestiende eeuw klaarblijkelijk een geliefd onderwerp voor toneelschrijvers en voor hun publiek.

 

Meer  lezen over het toneel en de vrolijke feestcultuur van de late middeleeuwen:

Katell Lavéant, Cécile de Morrée en Rozanne Versendaal, “Spot en spel – De vrolijke feestcultuur van de late middeleeuwen”, Madoc, 31,3 (2017), pp. 171-179.

– website van het onderzoeksproject over vrolijke cultuur: http://joycult.hypotheses.org

1
/
2
Katell Lavéant
De lachende nar (15e eeuw, ‘Nederland’) National Art Museum, Stockholm, Zweden)