Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

Lezing van Bert Keizer over de nutteloosheid van medische geschiedenis

20 december 2018, door Bert Keizer, specialist ouderengeneeskunde en filosoof
1
/
7

Uitgesproken tijdens de ALV van de NVMG te Urk, 12 november 2016

 

Dames en heren,

 

Mag ik beginnen met te zeggen dat ik ben uitgenodigd, waarvoor ik graag mijn dank betuig, dat u niet denkt: wat komt hij hier zeuren over de nutteloosheid van medische geschiedenis.

 

Ik wil graag eerst iets aan u kwijt over de afwezigheid van enig nut in de filosofie, een alpha-discipline waar ik meer van weet dan van medische geschiedenis. Vervolgens wil ik eenzelfde nutteloosheid aantreffen als het gaat om literatuur in relatie tot geneeskunde.  In de hoop dat u dan helemaal murw bent sleep ik u dan eindelijk mee naar medische geschiedenis om ook aldaar op het nutteloze er van te wijzen.

 

Met ‘nut’ bedoel ik een aantoonbaar positief gevolg van de studie of discipline voor het handelen van de student als burger, echtgenoot, vakman, vakvrouw, moeder, vader enzovoorts. En als ik stel dat filosofie, literatuur, of medische historie nutteloos is dan bedoel ik niet te zeggen dat het onbelangrijk is of dat ik er geen waarde aan hecht, of geen plezier aan beleef, integendeel.

 

Nou, eerst maar het nut van filosofie. Enkele jaren geleden zat ik in een rondvaartboot ‘by candlelight’ ruzie te maken met drie hooggeleerde filosofen. De twee dames en de ene heer waren unaniem van mening dat hun filosofie-onderwijs veranderingen ten goede teweeg zou brengen in hun studenten. Het ging om kleine zaadjes die zij met zich zouden meedragen de maatschappij in om zodoende een bijdrage te leveren die de maatschappij humaner zou maken, beschaafder, eerlijker, rechtvaardiger zelfs.

De fout is bijna Galenisch zou je zeggen. Galenus had zeer bepaalde ideeën over wat er met ons bloed gebeurde. Volgens hem werd het in de lever gevormd en vanuit het hart naar de weefsels gepompt en daar verteerd. Het duurde meer dan duizend jaar voordat iemand een eenvoudige rekensom maakte. Elke hartslag bevat 100cc (we houden het laag). Dat wil zeggen dat er bij een polsfrequentie van 60 per minuut in de weefsels per uur 60 x 60 x 100cc bloed wordt verteerd, dat is 360 liter bloed. Over een dag kom je dan op 24 x 360 = 8640 liter bloed. We ronden het af op 9000 kilo waarvoor je heel wat sla, brood en kip moet verorberen.

De fascinerende vraag waarom het zo lang duurde voordat iemand dit sommetje maakte is onderwerp van de ideeëngeschiedenis, waarvoor we te rade moeten gaan bij J.H. van den Berg en Dijksterhuis natuurlijk. Wat mij zo verbaasde bij kaarslicht op de rondvaartboot temidden van drie zichzelf als scherpe denkers afficherende medemensen was dat een dergelijk sommetje nooit gemaakt wordt voor filosofieonderwijs of onderwijs in aanverwante disciplines als kunstgeschiedenis of medische geschiedenis of literatuur.

Welk sommetje? Nou, gewoon even gaan kijken wat mensen die filosofie studeerden maatschappelijk afleveren. Wie geneeskunde studeert die eindigt als arts en het valt na te gaan wat de gevolgen zijn van haar studiejaren door in haar praktijk te gaan kijken of de relevante zitting van het tuchtcollege bij te wonen. Maar wat zou je willen opsporen in de levens van mensen die filosofie studeerden om vervolgens met tevredenheid te kunnen vaststellen: godzijdank heeft ze filosofie gedaan, want kijk eens hoe ze zich teweer stelt tegen kernenergie – Islamitische Staat  – het CDA – Darwin – de dood – drugs – fout parkeren? Wat moet er eigenlijk op dit lijstje staan? En is er een lijst denkbaar aan de hand waarvan je kunt constateren dat iemand duidelijk geen filosofie heeft gedaan? Kun je uit iemands houding ten opzichte van Erdogan – koningshuis – hypotheekaftrek – huwelijkstrouw – Elsschot – onkruid – zonne-energie een gebrek aan het goede effect van de filosofiestudie afleiden? Dat filosofie gevolgen moet hebben die verder reiken dan een kortdurende beleving van extatische helderheid in degene die zich er in verdiept is een oude eis, die van Plato afstamt. Plato eiste grofweg het hoogst denkbare gevolg van filosofie: de volledige maar dan ook totale politieke macht. Dat is met een sisser afgelopen.

Ik meen dus, dames en heren, dat filosofie maatschappelijk van geen of weinig belang is in die zin dat je er geen betere of slechtere arts, loodgieter of echtgenoot van wordt. Filosofen leveren zelf een aardige illustratie van dit gegeven. Bertrand Russell was in zijn rol van gescheiden vader een haatdragende querulant, die zijn ex-en en de kinderen veel verdriet deed. Wittgenstein was op zijn zachtst gezegd een heel moeilijke vriend en innerlijk een gemarteld mens die nauwelijks talent had voor levensvreugde. Heidegger, beschouwd als de grootste filosoof van de twintigste eeuw, koos bij zijn volle verstand op 44-jarige leeftijd de kant van de Nazi’s.  Nietzsche was wel geniaal maar niet in staat tot een liefdevolle verhouding met mens of dier. Nee, je knapt er niet erg van op van filosofie.

 

Nou is de band tussen filosofie en de geneeskundige praktijk nooit erg innig geweest, maar de laatste 20 jaar is er een beweging ontstaan waarbinnen men die speciale band wel ziet tussen geneeskunde en literatuur. Het uitgangspunt daarbij is dat literatuur je helpt bij het invoelen van wat een patiënt doormaakt. Zou Beets’ verhaal Een Oude Kennis uw sympathie met zwaarlijvigen kunnen verhogen? Of of die laatste hartverscheurende brieven van Keats bij terminale ziekte? Wat leert Dostoyevski u over epilepsie? Of Kafka, als we het hebben over depersonalisatie, anorexia, wanhoop en vooral angst?? Of Beckett als obstipatie voor u onbekend terrein is, want er wordt opvallend slecht stoelgegaan in zijn werk. Of Burroughs als u iets wilt begrijpen van heroine-verslaving? Of Vestdijk bij overspel, Van Gogh en vooral ook Francois Haverschmidt bij depressies, John Ruskin weet daar ook een en ander van.

Jeroen Brouwers misschien bij zelfmoord? Achterberg bij pathologische rouw?

Of Proust bij normale rouw? – die doet trouwens ook in astma en slaapstoornissen.

 

Ik ben er van overtuigd dat geen van deze schrijvers, allemaal meesters in hun soort, iets essentieels kunnen veranderen aan de kwaliteit van mijn empathische vermogens. En dat is maar goed ook. Ik wijs u er in dit verband op dat 99% van de mensen die betrokken zijn bij de zorg voor zieken of hulpbehoevenden, of het nou artsen zijn, verpleegkundigen, maatschappelijk werkenden, zoons, dochters, vaders, moeders, minnaars of kleinkinderen, al deze mensen hebben hun empathische vermogens al dan niet weten te ontwikkelen uit bronnen die niets te doen hebben met literatuur.

Het is de moeite waard hier even bij stil te staan omdat ongeletterdheid in de zin van zelfs niet in alle vaagheid weet hebben van een boekenlijst zoals ik die zojuist opsomde de meest natuurlijke geestestoestand is binnen onze gemeenschap, “natuurlijk” in de zin van meest voorkomend. Gelukkig is dit van geen enkel belang. In gevallen waarin een professional of een familielid onhandig is of ongevoelig of ronduit beschadigend in zijn contact met een zieke dan kan ik u verzekeren dat dit gebrek NIET samenhangt met een gebrek aan literaire appreciatie. Evenmin geloof ik dat de toediening van een dosis literatuur dit probleem uit de wereld zou helpen.

Dat literatuur geen of nauwelijks een rol speelt in de medische opleiding maakt volgens mij helemaal niks uit. De meeste artsen lezen niet, en als ze wel lazen, zou het ze niet veranderen. Ikzelf lees graag, en veel, en al heel lang, en ik hoop altijd te kunnen blijven lezen, maar het zou onzinnig zijn om op grond hiervan te verwachten dat ik een sympathiekere arts zou zijn dan een collega die nooit een boek open doet tenzij het over Kalium-suppletie gaat of cisplatina in de vorm van een oksel spray.

Nu we het toch over sympathieke dokters hebben denk ik ineens aan een factor die wel van grote invloed is hier: leeftijd. Jaren geleden bezocht ik een congres over dit thema in Amsterdam en ik trof daar maar liefst vijf van mijn vroegere hoogleraren, allemaal mooi oud geworden, die de boodschap gretig indronken. Leeftijd is DE grote verzachter. Naast het krijgen van kleinkinderen is er niets dat het hart van de ouder wordende clinicus zo snel doet smelten als het verliezen van een geliefd iemand, vooral als het slachtoffer pas aan de vergetelheid werd prijsgegeven na een even zinloze als gruwelijke worsteling met de ijzeren omarming van high tech medicine. Fictie kan zoiets nooit bewerken.

 

En dan nu toch iets over medische geschiedenis.  In het NTvG van 7 mei schreef Timo Bolt, over de mogelijkheid van een nieuw elan voor de rubriek ‘Historisch Perspectief’. Hij vindt dat een arts verstand moet hebben van: onderzoeksmethodologie (critical appraisal) – de onderliggende structuur van medische kennis – de al dan niet impliciete aannames die daar achter zitten – en de politieke, economische en maatschappelijke belangen en krachten die van invloed zijn op die aannames. Dat is, als ik goed tel, vijf leerstoelen bij elkaar. Vervolgens stelt Bolt dat de kwaliteit van deze geestelijke wolk aanzienlijk zal verbeteren door inzicht in de medische geschiedenis. Weer een leerstoel.

            Als ik iets kwijt mag over de kennis van onderzoeksmethodologie: toen het NTvG mij vroeg redacteur ouderengeneeskunde te worden weigerde ik meteen. Want, legde ik uit, ik kan nog geen statistische analyse van parkeerruimte onderscheiden. Waarop de hoofdredacteur begon te lachen en zei: kunnen wij ook niet. Daar hebben we een apart team voor. Maar ik denk dat Bolt in zijn ontzagwekkende opsomming verwart wat artsen zouden moeten weten met wat wel leuk zou zijn om te weten over artsen. Dat zijn verschillende werelden. Op het punt van medische geschiedenis kom ik onder artsen weinig meer tegen dan verbaasde uitroepen van ongeloof als het om 17eeeuwse obstetrie gaat, of afgrijzen over het even onbegrijpelijke als onuitroeibare aderlaten.

Zelf ben ik medisch historisch een nauwelijks beschreven blad, afgezien van Foucault’s Geboorte van de kliniek, dat ik met open mond las en herlas, en Le Fanu’s The rise and fall of Modern Medicine. O ja, en ik heb met steun van Otto Bleker nog een keer iets geschreven over de oudste verloskundige literatuur in Europa aan de hand van incunabelen aanwezig in de UB aan het Singel. En ik las de biografieën van William Osler en Harvey Cushing geschreven door Michael Bliss. 

Hoezeer kennis van de medische geschiedenis ontbreekt in de medische praktijk bleek mij toen ik in 2010 een paar maanden meeliep met de neurochirurgen  in de VU. de enige geschiedenis die ik daar te horen kreeg was een citaat van de oud-hoogleraar van Alphen over de aard van neurochirurgie: je kunt het een baviaan leren, zei de inmiddels naar zijn Schepper teruggekeerde hooggeleerde. Waar een van de jonge assistenten aan toevoegde: ‘ik weet niet of dat nou wel zo’n aardige opmerking is over de baviaan.’

Ik had de biografie van Harvey Cushing niet gelezen ter voorbereiding op deze excursie, het was gewoon toeval dat ik twee jaar na lezing van dat boek in de VU langdurig op bezoek mocht. Ik was wel benieuwd of de collega’s enig idee hadden van Cushing’s pionier-arbeid. In de woorden van Michael Bliss: “In the first decade of the 20th century Harvey Cushing became the father of effective neurosurgery. Ineffective neurosurgery had many fathers.” Cushing was de eerste chirurg die systematisch en met sterke disciplinaire nadruk aan post-operatieve zorg deed. Bliss schrijft hierover: “Cushing virtually invented the concept of intensive care in an age before the intensive care unit. Patients were observed on the operating table for hours after recovery, sometimes in the operating room for days. Unquestionably, many lives have been saved in this way.”  Cushing was ook in andere opzichten al een echte chirurg. Hij had er een hekel aan als zijn assistent plotselinge bewegingen maakte. Toen een van zijn assistenten zijn hoofd plotseling terug trok omdat er bloed in zijn oog spatte zei Cushing zonder op te kijken: ‘That was a bad reflex.’ ‘Well,’ said the young man, ‘Dr Cushing what should I do when blood squirts in my eye.’ Without looking up Cushing said: ‘Shut your eye.’

Onder de neurochirurgen die ik tegenkwam wist niemand iets van Cushing’s pionier-arbeid. Zijn naam viel alleen als we het over te lang doorgezet prednisongebruik hadden.

U wilt mij wel geloven als ik zeg dat deze onwetendheid geen enkel nadelig effect had op enig aspect van hun verrichtingen. Dat is geen verwijt aan deze collega’s, en ook niet aan de medische geschiedenis, maar voor goede neurochirurgie is historische kennis onnodig.

Ik heb filosofie gedaan voordat ik geneeskunde deed. En hoewel ik meen dat er in de geschiedenis van de filosofie weinig zo boeiend is als het geest/lichaamprobleem was ik niet onaangenaam verrast om geen enkele maar dan ook zelfs geen homeopathisch verdunde hint van belangstelling te ontdekken voor dit probleem onder de vakgenoten die daar in hun dagelijkse werk met hun neus bovenop staan: neurochirurgen. Ik weet zeker dat wat zij voor hun patienten konden bereiken niet zou verbeteren door filosofische belangstelling voor dit probleem.

Geneeskunde doe je overdag, nadenken over de historische, of epistemologische of filosofische of literaire achtergrond doe je ‘s avonds. Of tijdens die andere avond, je pensioen. Het is niet anders. Het valt te vergelijken met wetenschapsfilosofie en wetenschapsbeoefening. Filosofen hebben van alles te melden over wetenschappers. Wetenschappers merken daar hoegenaamd niets van en modderen gewoon door.

Ik bedoel hiermee niets af te doen aan die heel eigen fascinatie die medische geschiedenis biedt. Maar ik geloof niet dat deze kennismaking met het verleden kan bijdragen aan de kwaliteit van mijn klinische werkzaamheden. Als neurochirurgen beter zouden opereren door het leven van Harvey Cushing te bestuderen dan zou de monumentale biografie van Michael Bliss verplichte kost zijn. Maar chirurgen lezen zo’n boek pas als ze het mes hebben neergelegd, en gelijk hebben ze, want het is een heerlijke leeservaring voor iedereen die wel eens op een OK gestaan heeft, maar ik ken geen neurochirurgen die er iets aan zouden hebben in hun werk.  Stel je voor dat kennis van de medische historie werkelijk van belang zou zijn voor de kwaliteit van je klinische arbeid, dan zou dit ook tot de toelatingseisen voor de opleiding horen en dat is, naar mijn mening terecht, niet het geval. In dat geval zouden trouwens niet alleen wij hier zitten, maar dan zou deze zaal gevuld zijn met jonge artsen in opleiding. Ik zie er geen een.

 

Men vraagt mij vaak: ‘je hebt er zeker wel veel aan hè, filosofie, in je werk als arts.’ Mijn antwoord is: nee. En dat is maar goed ook, want voor 99,99% van mijn collega’s geldt dat Wittgenstein ergens achter IJsselstein ligt en daar merk je helemaal niets van in hun werk. Het is van geen enkel belang. Misschien is het aardig om op dit punt op twee geneeskundige omwentelingen te wijzen die zich afspeelden zonder dat filosofie, literatuur of historische kennis er iets aan bijdroegen. Ik heb het over orale anticonceptie en euthanasie. Twee ingrijpende vernieuwingen die geneeskunde opvallend veranderden maar waarbij de kennis van de geschiedenis er nauwelijks toe deed. De een afgedwongen door vrouwen, en de ander afgesmeekt door mensen die op een beroerde wijze stierven.

 

Dames en Heren, ik kan niet helemaal gelijk hebben, dat gaat zometeen blijken als het forum mij te lijf gaat,  daarom nu alvast enige aandacht voor het argument dat een blik op de medische geschiedenis ons kan leren dat we niet zo zeker moeten zijn over de zekerheid waarmee we allerlei narigheden aan onze patiënten slijten. We zouden deze onzekerheid moeten vieren, omdat we met een blik op het verleden tot een betrekkelijkheidsbesef zouden komen. Een besef waar onze patienten evenwel niets aan hebben. Die willen geen historicus die tegen hen zegt: u beseft hopelijk met mij dat ons gesprek over de chemo die ik u aanbiedt over 75 jaar belachelijk zal overkomen? Maar ik zie uw tegenwerpingen op dit punt graag tegemoet.

 

Dames en heren, er heerst een crisis in de humaniora en men probeert vergeefs die af te wenden door te beweren dat ze maatschappelijk nuttig zijn. Ik meen dat het graf voor deze disciplines langs deze weg alleen maar sneller gegraven wordt omdat een dergelijk nut gewoon niet aantoonbaar is.

 

Ter opluchting wilde ik afsluiten met 3 citaten uit de besproken disciplines, citaten die mij om allerlei redenen dierbaar zijn.

 

Allereerst een voltreffer uit de mond van William Osler, waarin zijn humor en zijn wijsheid fraai doorklinken:

The difference between men and animals is the desire to take pills.

 

Vervolgens een filosofisch citaat uit het werk van Raymond Tallis:  

‘In de mens doet de Natuur haar ogen open en ziet dat ze bestaat.’

En tenslotte een paar regels uit Shakespeare’s Tempest:

 

Full fathom five thy father lies;

Of his bones are coral made;

Those are pearls that were his eyes;

Nothing of him that does fade,

But doth suffer a sea-change

Into something rich and strange.

 

[Vertaling: Uw vader ligt vijf vadem diep – Uit zijn beenderen wordt koraal gemaakt – Die parels daar, dat waren zijn ogen – Niets van hem verdwijnt – Nee, het wordt tot iets heel anders –  dat rijk is en vreemd.]

 

Wie een hoopje menselijke resten op de zeebodem op zo’n manier weet te omhangen met een troostvolle gedachte zodat het weer iets moois wordt waar je naar kunt kijken zonder afgrijzen, die doet aan kunst. Het is nergens voor. Het leidt nergens toe. En het is onvergetelijk.

 

Ik had wel graag dat er een faculteit blijft bestaan waarbinnen dergelijke uitingen niet alleen bewaard worden, maar ook gekoesterd en doorgegeven. Niet omdat daar een betere wereld uit voortkomt, maar omdat er een unieke troost uit gaat van het besef dat wij mensen niet alleen maar naarlingen zijn, die een hele planeet in onwetendheid vernielen, maar dat wij boven dat vernielen uit op een nergens geëvenaarde wijze om ons heen kunnen kijken.

 

1
/
7
Bert Keizer