Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

De KNO-Boekerij – na 105 jaar een nieuw contract

29 juli 2020, door Roelf M. Backus
1
/
1

 

Het is 1915. De boekencollectie van de Nederlandsche Keel-Neus-Oor Vereeniging,
‘De Boekerij’ neemt een dermate omvang aan, dat Hendrik Burger, de bibliothecaris van de Vereeniging, de Boekerij niet meer in zijn woning kán en wíl herbergen. Hij neemt het besluit de gehele boekencollectie onder te brengen bij de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en meldt dit aan het Bestuur. Tijdens de Huishoudelijke Vergadering op Zaterdag
20 November 1915 in het Binnengasthuis te Amsterdam komt het voorstel van Burger aan de orde.

 

De Huishoudelijke Vergadering 1915

Aanwezig zijn de voorzitter prof.dr. P.TH.L. Kan uit Leiden, de bibliothecaris prof.dr. H. Burger uit Amsterdam en secretaris/notulist dr. F.H. Quix, lector uit Utrecht, evenals een 12-tal leden.

Burger en Quix liggen elkaar niet erg, beiden ambitieus, nauwgezet, licht geraakt en snel gekrenkt in hun eer. Ze zullen in de toekomst nog menig aanvaring hebben.

 

“…Aan de orde komt punt 6 der huishoudelijke vergadering om de boekerij der Vereeniging in bruikleen te geven aan de universiteitsbibliotheek van Amsterdam. De heer Burger ligt [sic] dit voorstel nader toe…”

 

Quix is de eerste die reageert. Hij heeft weliswaar veel bewondering voor het vele werk van de heer Burger, maar hij is sceptisch over het voorstel. Hij vraagt zich met name af  “…of de collectie nog wel goed toegankelijk blijft voor de leden…dat een kostbare collectie waarvoor de leden hebben betaald eigenlijk weggegeven wordt… de UvA bibliotheek bepaalt dan ook of een boek uitgeleend gaat worden, hoe lang en aan wie…en of er wel een openbare studiezaal is…”

 

Kortom, vrij legitieme argumenten om nog eens goed over na te denken voordat er een definitieve beslissing wordt genomen. Er volgt een uitgebreide discussie met als hoofdlijn, dat het wel goed zou zijn de Boekerij onder te brengen in een professionele universiteitsbibliotheek, maar de precieze voorwaarden in het contract blijven onbekend en dus onbesproken.

 

Maar gaandeweg wordt duidelijk dat Burger de beslissing eigenlijk al heeft genomen en dat hij zijn plan wil doordrukken. Quix eindigt zijn betoog met de woorden:

“…Daar de voorsteller [Burger] verzuimd heeft aan de vergadering de officiëlen voorwaarden gesteld door de bibliotheek, voor te leggen, vindt hij [Quix], dat het voorstel niet voldoende is toegelicht en dat we door aanneeming van het voorstel den stap in het duister doen. Hij [Q] stelt daarom voor het voorstel tot de volgende vergadering aan te houden…”

 

Een troef

Dat lijkt een redelijk voorstel, maar dan speelt Burger zijn troef uit, waardoor in feite de aandacht van dat laatste voorstel van Quix -om er nog eens even goed over na te denken- wordt afgeleid.

 

“…De heer Burger vraagt alsdan het woord om dan een passage uit een brief van den Heer Quix voor te lezen waaruit naar spr. [B] meening duidelijk de geheime bedoeling van den Heer Quix zou blijken welke zou zijn: zich meester te maken van de boekerij ten bate van zijn eigen kliniek. Na eene opmerkelijke stilte wordt overgegaan tot de stemming….

 

 

Wilt u verder lezen?

 

Het hele artikel, inclusief afbeeldingen, vindt u hier

1
/
1
Valsalva (Ant. Mar.) De aure humana. Tractatus in quo integra auris fabrica, multis novis inventis et icon ill. 1704