Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis

DE DOOD EN DE GLADIOLEN

22 juni 2020, door Jan Nassy
1
/
1

Laat ik het u maar meteen opbiechten: Dokter Franz Joseph Harbaur kende ik anderhalve week geleden nog niet en als u zich nog niet in dit boek [1] of de publiciteit daaromheen had verdiept: U waarschijnlijk ook niet.

 

Maar stel nu dat u, boekenliefhebber met belangstelling voor geschiedenis en geneeskunde, nietsvermoedend uw betere boekhandel was binnengelopen en dit boek had zien liggen:

U zou het toch meteen hebben opgepakt (Lijfarts! Koning! Avontuurlijk leven! Goed gebonden! Mooi chamoiskleurig papier! Prettig lettertype! Prachtig geïllustreerd! Pakkend geschreven!) en gekocht? (Notenapparaat! Literatuurlijst! Slechts € 29,99!).

Franciscus Josephus Harbaur (maart 1776 – maart 1824, zeg maar Joseph) wordt geboren in de Elzas als derde zoon van de gewaardeerde dorpschirurgijn van Neuwiller, Georg Harbaur en zijn vrouw Anna Müller. In de massale vluchtelingenstroom als gevolg van het oorlogsgeweld en de terreur van 1793 vluchten Joseph en zijn broer Peter naar Darmstadt, waarmee ze voor het revolutionaire Franse bewind strafbaar worden als ”émigré”. Joseph reist door naar het prinsbisdom Würzburg en krijgt het voor elkaar om daar onder de hoede van vader en zoon Siebold genees- en heelkunde te gaan studeren. Als het oorlogsgeweld in 1796 ook deze stad bereikt, trekt hij verder en vervolgt zijn opleiding in Jena bij Stark, Grüner en Hufeland, doet medische praktijk op in de kring van Schiller en Goethe en belandt na een Franse amnestiewet in 1801 in Parijs, waar hij wil praktiseren en promoveren.

Hoe die promotie verloopt verklap ik u niet, maar u krijgt een prachtige inkijk in de Parijse medische wereld van het prille begin van de 19e eeuw.

 

Ook ga ik u niet verklappen hoe hij er achtereenvolgens in slaagt lijfarts te worden van erfprins Willem Frederik d’Orangefulde, Napoleon’s generaal Henri Clarke, de Tsaristische hoveling graaf Kotsjoebej en uiteindelijk wéér van Willem Frederik, nu Koning Willem der Nederlanden, die hem vervolgens benoemt tot rector-magnificus in Leuven en daarna tot inspecteur-generaal van de Geneeskundige Dienst der Land- en Zeemacht, later ook inclusief de civiele gezondheidszorg: Inspecteur-Generaal van den Geneeskundigen Dienst des Rijks.

Dan, in 1823, wordt hij ernstig ziek, lijkt daarna weer op te knappen, maar in maart 1824 krijgt hij verlof om naar Parijs te gaan om daar een vertrouwde arts te raadplegen.

Onderweg sterft hij, alleen, in een herberg in Cambrai.

 

Je bent pas echt dood, wanneer niemand het nog over je heeft.

Catharina Bakker beschrijft overtuigend hoe en (waarschijnlijk) waarom dat zo is gegaan met Joseph Harbaur. Met dit boek, vrucht van taai en volhardend onderzoek, rollende historische spierballen – en een indrukwekkend team van coaches en trainers! – heeft ze hem succesvol en overtuigend gereanimeerd en met meer reliëf dan ooit voor de medische geschiedenis behouden.

Daarvoor verdient ze op z’n minst de gladiolen.

 

Het zij me vergund als stuurman aan wal een paar kritische opmerkingen te maken:

Over het algemeen vertelt Bakker haar verhaal in-de-tijd-zelf. Zo worden we echt meegenomen in het hoofd van de medisch student en beginnend arts die nieuwe kennis en vaardigheden verwerft en de lezer kan alle spanningen, onzekerheden en overtuigingen met de hoofdpersoon meemaken.

Dát is nog eens medisch-historische realiteit.

 

Maar dan stoort het me, als iemand in 1799 mogelijk tuberculose heeft (p. 70), er ineens in een Frans ziekenhuis rond 1800 een internist opduikt (p. 99), waterzucht hydropisie heet (p. 261) en Josephs terminale aandoening op p. 310 wordt omschreven als ziekte der geleerden[2], ftitis, longtering, een eindstadium van tuberculose.

 

Wellicht wreekt zich hier, dat in schrijfsters illustere coaching team geen historisch geletterde dokter of dito depressief heeft meegelezen en dat bij opmaak van de tekst de spellingscontrole soms niet aan stond.

 

Verder irriteren me de tekstregels bij de prachtige illustraties.

Schrijfster (of beeldredactrice c.q. uitgever?) plaatst bij elke plaat een Jip-en-Janneke-achtige parafrase van het verhaal in een of twee zinnen, soms in ronduit melig Story-proza, zoals

“…Het is 1792. Onderuitgezakt met de benen over elkaar kijkt Dietrich naar de zanger, onwetend van het feit dat zijn leven in december 1793 zal eindigen onder de guillotine” (p. 30).

“…De zieke Louise wordt in 1819 door Joseph in Haarlem verzorgd. Op dit prachtige portret van Tischbein verkeert zij nog in blakende gezondheid” (p.282).

 

Niettemin: Koop en lees dit boek!

Voor een beter begrip van het begin van onze medische 19e eeuw is het een waardevolle nieuwe bouwsteen en literatuurliefhebbers (Tolstoj!) worden extra verrast (p.196-7).

Proficiat, Catharina!

 

 

Jan Nassy

17-6-2020

 

[1] Catharina Th. Bakker: De lijfarts van de koning; het avontuurlijke leven van Franz Joseph Harbaur, 1776-1824. Walburg Pers, Zutphen 2020. ISBN 9789462493186, prijs: € 29,99.

[2] Zie b.v. Bilderdijks gelijknamige leerdicht uit 1807 of Ramazzini’s boek over de Ziekten der Konstenaars, Ambachtslieden, Handwerkers, Geletterden en Nonnen (Ned. Vert.-anoniem- Leiden, 1724), maar de mooiste en grondigste Nederlandse tekst over deze ziekte is volgens mij M.J. van Lieburg: De Ziekte der Geleerden, een hoofdstuk uit de geschiedenis van de melancholie en hypochondrie. Organon, Oss, 1989.

1
/
1